De bel gaat.
het is zaterdagavond half zeven en donker, ik verwacht niemand maar het kán een buurvrouw zijn dus maak ik open.
Op de stoep en popperig tienermeisje met blond haar en perfecte make-up: “U zult zich wel afvragen, wie ben ik.”
Ja.
“Ik loop voor KWF Kankerbestrijding daar hebt u misschien wel eens van gehoord?”
Ze houdt voor zich een blad van deze organisatie.
Ja, zeg ik: “Maar ik geef niets.”
Meisje: “Mag ik vragen waarom?”
En nu hád ik natuurlijk *nee* moeten zeggen en de deur dicht moeten doen maar ik zeg (eerlijk): “Omdat ik je niet ken, omdat ik je niet vertrouw en omdat ik al aan heel veel andere organisaties geef.”
Waarop vanaf de andere kant van de straat vanuit het donker een soortgelijk meisje naar me schreeuwt (echt: schreeuwt): “Niet vertrouwt?! We mogen hier lopen, hoor!”
Precies, zeg ik.
En wijs *priemend* naar dat meisje.
“Om dat gedrag vertrouw ik je dus niet.”
Deur dicht en klem erop.
Lekker laten lopen. Zo een blaadje zegt natuurlijk ook niks. Het zijn volgens mij altijd van die bussen met zo een rode kreeft erop, die ze horen te hebben. Of had ze die ook nog ergens, achter dat blad? Wel een goede les in manieren voor dat schreeuwende meisje.
Nee, geen bus.
Wel een soort schrift.
Mogelijk om mijn naam en banknummer in te zetten voor toekomstige automatische afschrijving.
O ja, dat kan natuurlijk. Die rammelende bus is ook wel ouderwets 😉
Nee, dat kan juist *niet*.
Want de goede doelen hebben specifieke weken waarin ze mogen aanbellen en dat is voor KWF niet deze week.
Bovendien is ‘bus ophouden’ veel minder dwingend dan iemand zich laten vastleggen op regelmatige overmakingen.
Was laatst nog in het nieuws maar dat heb je mogelijk gemist.
Terecht wantrouwen, lijkt me. Goeie aktie van jou dus!
Heb ik inderdaad gemist (dat nieuws).