Vandaag over een week zit ik nu bij de gate te wachten op de vlucht naar Portland of ik zit achter mijn bureau Vroege Vogels te luisteren.
Dat denk ik wanneer ik wakker word.
Wanneer het op wat pijn in de heup en de dij na wat mij betreft nog alle kanten op kan.
Ik stap uit bed en buig me voorover naar Guus voor ons dagelijks ritueel: hij zit voor me, kijkt me aan en dan buig ik me voorover en kus zijn kopje en wens hem een mooie dag.
Alleen kán ik me niet meer buigen. Niet helemaal tot Guus in elk geval.
En ook niet tot diep in de zakken kippengraan (die bijna leeg zijn, vandaar ‘diep’).
Niet alleen ‘pijn’ – alles zit nu helemaal vast.
Het kán dus zijn dat ik volgende week bij de gate zit.
Maar dan moet er wel een Wonder met een grote W gebeuren.