Ik ga naar bed en daarop liggen geen katten.
Dat valt tegen.
Ik word wakker om twaalf uur en tegen mijn hoofd ligt iets zachts en warms. Ik voel: Guus. Of toch Sammie?
Ik kijk: allebei. Allebei tegen mijn hoofd en ook nog in elkaars pootjes.
Om half vier (ik heb net bedacht dat ik mezelf ga dwingen tot zeker kwart over vijf in bed te blijven): Eebje. Hard spinnend en erg hartelijk door mij begroet.
Knuffel, knuffel. Ja, lik mijn hand maar. Gezicht mag ook.
Ik gun haar d’r favoriete houding, met haar buikje op mijn arm.
Aai, streel, praat.
Zodat ik om vier uur hartstikke wakker ben (althans: niet meer kan slapen) en maar opsta.
Moe maar gelukkig – zoals dat geloof ik heet.