“Ik vind mensen niet aardig” zeg ik vandaag tegen R.
“Wat?!” reageert die geschokt.
“Ik vind veel mensen niet aardig” corrigeer ik mezelf (of zei ik nou “de meeste mensen”).
We hebben het 1 en ander doorgenomen dat de laatste tijd is gebeurd.
Zand in de ogen strooien en lichtgeraaktheid en pure boosaardige oplichting.
R., die veel meer een mensenmens is dan ik, zegt dat hij me begrijpt.
Dat is fijn.
Want als zelfs R. me niet meer begrijpt houdt het dus helemaal op.
Ik ken niet zo veel aardige mensen, ken wel mensen die zichzelf heel aardig vinden en zich ook graag zo profileren, maar dat zijn dan vaak weer mensen die ik erg onaardig vind na nadere kennismaking.