Ik ben niet principieel tegen het voeren van eenden (de woerden verkrachten de vrouwtjes ook als ze *niet* worden bijgevoerd).
Ik ben er ook niet per se vóór.
De afgelopen maanden ben ik door omstandigheden eenden-, meerkoeten-, waterhoentjes- en zwanenvoerder geworden.
Plus 1 bergeend en af en toe een stel brutale meeuwen.
Het kwam omdat mijn werkster een man heeft die via zijn werk te maken heeft met een warme bakker.
Op zaterdagavond krijgt hij daar kratten vol ‘oud’ brood. Véél meer dan vroeger.
Dat deelt mijn werkster zelf uit aan vogels en ze verspreidt het over vogelvrouwtjes.
In mijn geval gaat een deel ook naar de knagers. Soms haal ik er een halfje zuurgranen uit voor mezelf.
En natuurlijk voer ik de vogels in de tuin.
Door het vele aangesleepte brood werd de sloot achter mijn huis steeds meer een paradijs voor hongerige zwemmerds.
Een deel herken ik. De zwanen en ik leerden van elkaar. Zij van mij vooral. Dat vals blazen niet helpt. En dat je beter een stuk brood nét van het randje van de steiger kunt pakken dan proberen het in het water van de veel snellere eenden af te pakken.
Het vuurwerk van Oudjaar heeft de meeste vogels weggejaagd.
De zwanen (twee volwassen, twee jonkies) heb ik niet meer gezien. De groep van ongeveer 100 meerkoeten is verdwenen.
Ook de meeuwen zijn weg.
De bergeend is er nog.
En drie meerkoeten en twee waterhoentjes en hoogstens twintig wilde eenden (het waren er zeker vijftig-zestig).
Ik mis ze.
En ik stik in het brood.
Geef een reactie