Ik heb amper ‘vrienden’ dus waar héb ik het over maar vanmiddag dacht ik toch over vriendschap na.
Ik dacht aan J., een collega van Lodewijk. Ze is me na zijn dood een aantal jaren blijven opzoeken.
In de kerstvakantie. Dan bracht ze wijn mee die haar man verkocht en die net wel of net niet over de houdbaarheid heen was (meestal wel, maar het ging om het gebaar).
Zij klaagde dan over haar bazen en ik klaagde over mijn baas in een (juridische) commissie. Zij kende hem dus dat was aangenaam ‘herkennen’.
Ik raakte uit die commissie (door niet-leuke omstandigheden die er even niet toe doen).
Zij mailde toen of ze rond kerst zou komen en ik zei nee en verbrak het contact.
Omdat ik dacht dat we niets meer gemeen zouden hebben. Want waar hadden we het over behalve onrecht in het werk, ons beiden aangedaan door haantjes van mannen.
Nee, het was erger: ik schaamde me. Geen ‘echte’ baan/bezigheid meer. Alleen een webwinkel.
En nee: dat is niet “mijn pássie”.
Hierover denkend rangschik ik de contacten die ik wel heb in: over dieren, over radio, over begraafplaatsen, over geloof, over mannen (dat was meer vroeger), over Amerika.
Ik denk dat ik niet bewust aan compartimentjes doe.
Ik kan ook niet goed verklaren hoe het zo is gekomen.
Wel merk ik dat ik angstig ben voor ‘gewoon vriendschappelijk’.
Misschien omdat daarvoor geen onderwerpen zijn tenzij het weer maar dat is niet vriendschappelijk.
Dat is al dan niet genoeglijk keuvelen over niks.
Hoe zouden anderen dit doen.
Weet niet hoe anderen dit doen. Wat ik wel weet is dat ik steeds kritischer word en dat ik, wat ik vroeger voor vriendschap hield nu als nietszeggende maar als het zo uit komt, als vragende en niets gevende persoon zie, waar ik verder niets mee heb. Dit is een heel erg kromme zin maar weet het even niet anders te verwoorden.